• jbanner1
  • jbanner2
  • jbanner3
  • jbanner4
  • jbanner5
  • jbanner6
  • jbanner7
  • jbanner8
  • jbanner9
  • jbanner9b
b_768_0_16777215_00_images_lips-327493_1920.jpg

Ik ben geen natuurkundige, en op wikipedia lezend over de snaartheorie haak ik al snel af. Teveel begrippen die ik niet ken of begrijp. Maar mijn eigen snaar-theorie snap ik heel goed. En die zal ik je hier uitleggen :-)


Stel je voor: je ruggengraat is de snaar en jij bent de gitaar. Dan moet je die snaar opspannen. Want een te losse snaar resoneert niet. Maar je wilt'm ook niet te strak opspannen, want een te strakke snaar knapt. Dus, je zoekt naar een gezonde dosis 'spanning'.

Hoe doe je dat dan?

Grappig genoeg staan onze mond- en oogspieren in directe verbinding met onze bekken-bodem. Als je je mondspieren aanspant, in zo'n mooie zwoele kusstand, (liefst nog gecombineerd met oogknipperingen - zie je het voor je?) hup, stuurt dat ook een signaal naar je bekkenbodem, en spannen ook daar je spieren zich ietsjes aan. Doe maar eens en voel dat die verbinding tussen beide langs je ruggengraat loopt.

Te losse mondspieren/te losse articulatie stimuleren nauwelijks je bekkenbodemspieren, en te strakke mondspieren, als in een eeuwig geknepen pruilmondje zetten de snaar op knappen (in de vorm van stress, overspanning, of vastzetten van spieren). Souplesse ontbreekt.

Je wilt dus een soepele, goed vibrerende snaar. Een soepele, energieke, ruggengraat. Begin dan met soepele, actieve mondspieren en dus soepele, actieve bekkenbodemspieren. Dat geeft jouw adem en jouw klank alle ruimte daar tussen in.

Nou ja, en dat doe je dan met die ene simpele kus-met-oog-knippering-oefening. Als alles nou eens zo simpel was :-)